| |
Wonen op een Romeinse puinhoop…
Op mijn bureau ligt een stuk van een dakpan, overduidelijk een Romeinse. Erbij ligt een briefje, of ik degene die dit fragment naar het museum had gebracht wil bellen. Zo kom ik in contact met Karel Spruijt van de Tekenles. Een paar dagen later laat hij me zien waar dit fragment gevonden is: op de hoek van de Kruisstraat en de Valkenburgerweg, bij herstelwerkzaamheden aan de muur rond de ‘villa Coriovallum’, voor mij een bekende locatie. Want al ben ik nog maar net conservator bij het Thermenmuseum, ik houd me al sinds 2006 intensief bezig met het Romeinse landschap tussen Tongeren en Keulen, in het kader van promotie-onderzoek. Al in 2007 heb ik in het archief van het museum het complete vindplaatsenbestand doorgespit. Dat Romeins Heerlen, oftewel Coriovallum, meer is dan een doorsnee Romeins ‘straatdorp’, werd me toen al duidelijk. Alleen al het badgebouw op de hoek van de Coriovallumstraat en de Kruisstraat, dat overigens het best bewaarde Romeinse gebouw in heel Nederland is, wijst op de bijzondere status van de vicus (= dorp/stadje) Coriovallum.
Ik kan me nog goed voor de geest halen wanneer ik het Romeinse badgebouw voor het eerst zag. Ik werkte in de zomer van 2002 als student Archeologie op de opgraving van een Romeinse villa bij Kerkrade op de Holzkuil. Op een regenachtige dag bracht de opgravingsleider ons naar het Thermenmuseum. Ik kon mn ogen niet geloven. Hadden we dit soort gebouwen ook in Nederland? En waarom wist ik daar, met mijn voorliefde voor alles wat romeins is, helemaal niks van?
Hoewel ik nu veel meer weet van Romeins Zuid-Limburg en het badhuis inmiddels tot in de kleinste hoekjes ken, heb ik eigenlijk nog steeds geen antwoord op die ene vraag: waarom is het Thermenmuseum en daarmee Romeins Heerlen zo onbekend in Nederland? En het valt me steeds meer op dat er maar weinig inwoners van Heerlen weten dat zij bovenop de resten van een Romeins stadje wonen. En als ze het al weten, vraag ik me af of ze daar trots op zijn. Misschien wordt gedacht dat elke stad in Limburg of in Nederland wel een Romeinse voorganger kent. Maar dat is helemaal niet waar. Hoewel de regio druk bewoond was na de verovering door de Romeinen, zijn er slechts een paar dorpen geweest, en Coriovallum was daarvan zonder twijfel een van de grootste. In elk geval was het de grootste van Zuid-Limburg.
Terug naar Karel. Of ik de Romeinse kelder ken? Wat? Nee dus. Alweer zo’n verrassing. Een prachtige keldermuur met nissen, van Kunrader kalksteen, te zien via een glazen luik in de vloer van makelaarskantoor Aquina. En dat op 50 meter van het museum. We lopen samen verder door de Lindeveldbuurt, pratend over het feit dat alle huizen hier bovenop de resten van de vicus liggen. Wonen op een Romeinse puinhoop, als het ware. En zo ontstond het idee voor een Romeinse editie van de Lindeveldkoerier.
Eigenlijk zijn er twee verhalen te vertellen over de Romeinse resten in de Lindeveldbuurt. Natuurlijk is het leuk om te vertellen wat waar gevonden is, en hoe met al deze puzzelstukken de oude vicus gereconstrueerd kan worden. Maar hoe de bewoners van Heerlen aan alle puzzelstukken gekomen zijn, is ook een prachtig verhaal. Dus daar begin ik eerst mee.
Op de website van de buurtverening van het Lindeveld staan prachtige oude ansichtkaarten van de buurt. Heel goed is te zien hoe aan het begin van de 20e eeuw veel van de buurt nog helemaal niet bebouwd was. In de periode 1900 - 1940 is toen langzaam de buurt opgebouwd. Juist uit die tijd stammen de meeste archeologische ontdekkingen in de buurt. De archiefstukken in het museum over de verschillende ontdekkingen geven een prachtig beeld van de Lindeveldbuurt in ontwikkeling. Anders dan nu, werd huis voor huis gebouwd. En bij bijna elk huis werd wel melding gemaakt van Romeins vondstmateriaal. Soms waren dit alleen losse resten, zoals fragmenten van dakpan, aardewerk en munten. Maar er werden ook heel vaak sporen van huizen gevonden, in de vorm van muurwerk en putten. Pottenbakkersovens zijn hier ook gevonden en natuurlijk ook de Romeinse weg. Zelfs graven kwamen bij de vele bouwwerkzaamheden boven de grond.
Archeologie kun je dit soort ontdekkingen nauwelijks noemen. Het stadsbestuur had al aan het begin van de 19e eeuw in de gaten dat er heel veel Romeinse resten onder de stad verscholen lagen. Veel van de voorwerpen die in deze tijd ontdekt waren, gingen naar het Rijksmuseum voor Oudheidkunde in Leiden, of naar het Bonnefantenmuseum in Maastricht. In 1877 besluit de raad echter dat wat in Heerlen gevonden wordt, in Heerlen moest blijven. Een uitzonderlijk besluit voor die tijd. En dankzij dit besluit heeft het Thermenmuseum een uitgebreide collectie Romeins materiaal van bijna 30.000 voorwerpen uit eigen bodem! Vanaf 1922 was binnen de gemeente P. Peters aangesteld om in dienst van de gemeente archeologisch onderzoek te doen. Hij heeft erg veel voor deze vroege periode in de archeologische geschiedenis van Heerlen betekend. Waar dan ook Romeinse resten aan het oppervlak kwamen, Peters was erbij, maakte notities, tekeningen en liet soms ook foto’s maken, in die tijd nog een bijzondere gebeurtenis. Juist in de periode dat Peters bij de gemeente werkte werd veel gebouwd in de Lindeveldbuurt en elders in Heerlen, door de enorme groei van de mijnindustrie. Zo leidde de bloeitijd van de 19e en 20e eeuw tot de ontdekking van een andere bloeitijd van de stad, de Romeinse periode vanaf het jaar 0 tot ongeveer de 4e eeuw na Chr.
Coriovallum
Dus wat weten we nu, na meer dan 100 jaar archeologische ontdekkingen in Heerlen, van Coriovallum? Op bijgevoegde kaart is te zien hoe groot de vicus ongeveer was, waar de wegen liepen en waar de grafvelden waren. Vast staat dat onder het bewind van keizer Augustus legioenen in dit gebied waren gestationeerd, die het nieuw veroverde gebied moesten inrichten volgens Romeins model. Dit betekende in elk geval de aanleg van hoofdwegen, waarmee de nieuwe provincie werd verbonden met de rest van het rijk en met Rome zelf. Legioenen waren niet alleen vechtmachines, maar juist ook werktroepen, waar allerhande ambachtslieden en zelfs ingenieurs in dienst waren. Zij legden wegen, aquaducten en forten aan. In Tongeren en in Keulen werden steden opgericht waar de politieke macht werd gezeteld. Bij Maastricht werd een brug over de Maas gebouwd. In Aken werd vanwege het thermale water dat daar uit de grond komt een waar kuuroord aangelegd, waar legioenssoldaten, die in kampen langs de Rijn gestationeerd waren, heen konden op verlof. Vanaf Aken werd een hoofdweg aangelegd naar het noorden, naar Xanten, want ook hier was een nieuwe stad opgericht. En precies op het stuk Kruisstraat tussen de Coriovallumstraat en de Valkenburgerweg kruisten deze twee Romeinse wegen elkaar en ontstond Coriovallum.
Van kamp tot stadje
De Romeinse soldaten die de weg aanlegden, hebben hoogstwaarschijnlijk een (tijdelijk) kamp aangelegd. Dit heeft dan het gebied omvat van de Deken Nicolayestraat, de Coriovallumstraat, de Uilestraat, en de Geleenstraat, begrensd door aan de westkant de Kruisstraat en aan de oostkant de Raadhuisstraat. Bij opgravingen van het gebied tussen de Uilestraat en de Coriovallumstraat, het ‘Zwarte Veldje’, zijn uitzonderlijk veel objecten gevonden met een hele vroege datering, zoals munten van de vroegste keizers en zelfs uit de Republikeinse tijd, dus voor Julius Caesar aan de macht kwam. Ook is hier veel typisch aardewerk gevonden, het zogenaamde Terra Sigillata aardewerk, waarvan we weten dat dit juist aan het begin van de 1e eeuw na Chr. vooral in het bezit was van legioenssoldaten. Zodra de wegen waren aangelegd zal op het kruispunt vanwege de strategische locatie een kleine militaire post gebleven zijn, maar het legerkamp zelf zal zijn afgebroken en de soldaten zijn waarschijnlijk in een permanent kamp aan de Rijn of elders geplaatst. Maar op het kruispunt van wegen was het natuurlijk aantrekkelijk je te vestigen als ambachtsman, herbergier of bakker, want klandizie was met al die reizigers gegarandeerd. Al aan het einde van de 1e eeuw na Chr. was rond het kruispunt dan ook een flinke nederzetting ontstaan, die ten minste tot in de 4e eeuw bleef bestaan.
Inwoners van Coriovallum
Wie waren nu eigenlijk de inwoners van Coriovallum? Zeker is dat het mensen van verschillende afkomst waren. Afgaand op het bewijs in de vorm van inscripties, stempels, metalen objecten en de ingekerfde namen op aardewerk, was de bevolking van Coriovallum een mix van inheemse (‘Germaanse’) bewoners, veteranen van de Romeinse legioenen en gelukszoekers uit andere delen van het Romeinse rijk. Je kunt de Zuid-Limburgse regio goed vergelijken met het ‘Wilde westen’ in Amerika in de 19e eeuw, waar veel mensen heen trokken in de hoop op een beter bestaan. Door de aanleg van de wegen, de nieuwe steden, de nabijheid van de rijksgrens en alle troepen die daar gelegerd waren, en de uitstekende natuurlijke omstandigheden hier (vruchtbare bodem, beken en bronnen, aanwezigheid van steen en kiezel) was dit gebied zeer aantrekkelijk voor nieuwe bewoners. En hoewel er altijd nog discussie is of de oorspronkelijke bewoners van dit gebied (de Eburonen, een stam van Gallische afkomst) nu echt allemaal zijn vermoord door de troepen van Julius Caesar, of dat zij door de jaren heen hun ethnische identiteit verloren hebben door de opname in het Romeinse rijk, het staat wel vast dat de regio rond het jaar nul nog vrij dun bevolkt was en dat dit enorm is toegenomen in de 1e en 2e eeuw na Chr. In feite kun je dus zeggen dat de regio toen al heel multi-cultureel was! Want de veteranen bijvoorbeeld kwamen al lang niet meer uit Rome zelf, maar uit alle andere provincies van het rijk, bijvoorbeeld uit wat nu Spanje, Egypte en Hongarije is.
Romeinse levensstijl
De inwoners van Coriovallum waren dus niet zozeer ‘Romeinen’ in de klassieke zin van het woord (afkomstig uit Rome / Italie, gekleed in toga), maar echte ‘kolonisten’ met zeer diverse achtergronden. Wat alle inwoners wel met elkaar gemeen hadden, was dat zij de Romeinse levensstijl omarmden. Simpelweg omdat die veel voordelen had. Een huis met een stenen fundament, kelder en dak van dakpannen in plaats van leem, riet en hout bleef veel langer goed en was beter bestand tegen de weersinvloeden van buitenaf. Typisch Romeins aardewerk was handig, van goede kwaliteit en zeker toen de pottenbakkers in Coriovallum zelf de meest voorkomende vormen gingen produceren, ruim voorhanden. Maar er zat ook een practische kant aan. Zo werd latijn de voertaal van het rijk. Wilde je handel voeren met andere delen van de provincie, dan moest je naast je ‘moerstaal’ ook latijn kennen. Dat inwoners van Coriovallum daadwerkelijk handel met gebieden ver weg dreven, bewijst een klein loden plaatje met inscriptie, gevonden in de Uilestraat. De inscriptie geeft aan dat er een partij kurk is geleverd door ene Atticus aan een handelaar in Coriovallum. Kurk groeit alleen in het gebied rond de Middellandse zee en dus zal Atticus uit die regio afkomstig zijn. Misschien was de ontvanger van de lading kurk een handelaar in badolieflesjes. De Uilestraat ligt natuurlijk vlak bij het badhuis en badolie werd in speciale kleine flesjes verkocht en bewaard; flesjes die waarschijnlijk met een dopje van kurk werden afgesloten. Dit voorbeeld laat zien dat elk klein puzzelstukje ons weer heel veel informatie kan geven over het leven van de vroegere inwoners van dit gebied.
Weten we alles al?
Het voorbeeld van het plaatje met inscriptie gevonden in de Uilestraat geeft aan waarom het zo belangrijk is dat het archeologisch onderzoek van Romeins Heerlen doorgaat. Er zijn nog heel veel vragen over Coriovallum die nog beantwoord moeten worden! Zo weten we bijvoorbeeld heel weinig over de jongste periode, de 3e en 4e eeuw na Chr., en nog minder over de periode tussen de 5e en 12e eeuw. Woonden hier toen nog mensen? Hoe hielden zij zich in leven? Daarnaast halen archeologen vandaag de dag veel meer informatie uit een opgraving, simpelweg door nieuwe technieken (denk aan C-14 datering, pollenonderzoek, of het onderzoeken van aardewerkbaksels met behulp van de electronenmicroscoop) en door de toegenomen kennis over de Romeinse tijd. Nog steeds kan een enkel voorwerp ons nieuwe informatie geven over het verleden. Daarom zou ik alle inwoners van de Lindeveldbuurt willen vragen om, als zij in hun eigen achtertuin materiaal vinden dat wel eens Romeins zou kunnen zijn, contact met het museum op te nemen. Misschien is het wel een puzzelstuk waar we al heel lang naar op zoek waren!
Karen Jeneson, conservator Thermenmuseum
|
|